Cultureel Erfgoed – Stavoren

Er zijn van die dingen die kapitein Willem Fluiter van de veerboot ‘Bep Glasius’ maar niet kan begrijpen. “Nou is het toch een schítterende dag: fantastisch fietsweer. Hadden we vanochtend vroeg met onze eerste vaart van Enkhuizen naar Stavoren welgeteld twintig fietsers mee. Twintig, meer niet.

Terwijl je zó heerlijk kunt fietsen in Friesland. Hindelopen, Workum, Makkum, Bolsward, Sneek, je kunt ‘t op je akkertje doen. Kom je met de laatste boot ‘savonds weer terug, dan heb je echt een prachtdag gehad. Zouden de mensen wel weten hoe mooi Friesland is? Weten de mensen eigenlijk wel dat hier al honderdzestien jaar deze veerboot vaart?”

Volgens Willem (43) missen veel mensen een hoop, door onwetendheid. “Jammer is dat. Want er is zoveel moois te zien.” Ik zeg ‘t maar meteen zoals ‘t is, de lezers zijn dat van mij wel gewend: Willem heeft gelijk. Mijn hemel, wat is er op het IJsselmeer en daar aan de Friese overkant een boel moois te zien. En wat een leuke lui, die Friezen!

“De Naco, rederijbedrijf van busvervoerder Connexxion, wilde van de bootdienst áf”, vertelt mij Anne Veenma (49) als we bij Enkhuizen het Krabbersgat uitvaren, gevolgd door misschien wel honderd aalscholvers, die laag over het water suizen. “Als scheepsmakelaar moest ik ‘de Bep’, de laatste veerbootverkopen. Maar ik riep meteen: da’s wel wat voor mij!”

Die snelle beslissing van Anne, zelf jarenlang kapitein in de kustvaart, betekende de redding van de veerdienst. Wat een geluk. Want wat zijn Enkhuizen en Stavoren nou zonder veerboot? Vroeger, ja vroeger, toen alles zoveel mooier was en zo lekker bedaard, voeren er grote stoomboten, vanaf 1886 runde de Hollandsche Yzeren Spoorweg Maatschappij zelfs jarenlang een treinpont tussen de twee Zuiderzeestadjes en werden de treinen uit Leeuwarden en Amsterdam met de veerboot overgevaren. Nu vaart de luxe salonboot ‘Bep Glasius’ elke dag drie keer heen en weer. Soms staat Anne zelf aan het roer, dan weer kapitein Willem Fluiter en dikwijls is de jonge machinist Jan Romkes (21) uit Urk ook van de partij, want die is druk bezig met de voorgeschreven praktijkervaring voor zijn schippersdiploma.

Zeebonk

Jan is een vrolijke zeebonk, die zijn passagiers ook altijd graag een handje helpt bij het aan boord brengen van brommers, rolstoelen, bepakte toerfietsen, looprekken en ander rollend materieel, want dat mag allemaal mee. Het is totaal anders dan toeristich bedevaartsoord Dokkum, maar ja, dat hoef jr de Friezen niet uit te leggen.

“Kijk, daar gaat de schoener ‘Noord-Holland’, da’s de VIP-boot van Rijkswaterstaat”, wijst Willem. “Toen mevrouw Smit-Kroes minister van Verkeer en Waterstaat werd, kwamen ze erachter dat er geen damestoilet aan boord was. Hebben ze er gauw een gemaakt, voor tachtigduizend gulden. Da’s een heel luxe bootje.”

Onze ‘Bep Glasius’, met heren- én damestoiletten, mag er qua comfort trouwens óók wezen. “Een lief scheepje”, vindt Jan. Rondom ons op het water een drukte van belang met de mooiste vakantieschepen, zeilboten en jachten, opgetuigde klippers en dwarsgetuigde tjalken, schoeners en loggers met hoge zeilen, ik zie een Lemster aakje en een opgeknapte oude viskotter. Hóren doe je eigenlijk alleen de vogels en die uitslovers met hun lawaaiige jetski’s. Zij vinden het leuk om over de golven te springen en omdat onze snelle veerboot nogal wat golfslag maakt, blijven zij vlak achter ons plakken.

“Laten we zo’n zeiljacht nou voorzichtig op een ton schatten”, rekent reder Veenma voor. “Tegen de avond ligt Enkhuizen hélemaal vol: zeshonderd plezierjachten. Dat is zestig miljoen, alleen al in Enkhuizen, plus wat er nog aan dure auto’s op de parkeerplaatsen staat. Allemaal voor ons plezier. Leven we hier nou rijk of niet?” Zie ook dit artikel over het Muiderslot.

De zusjes Brander uit Hoek van Holland maken hun jaarlijkse fietstochtje dit jaar naar Friesland. Vannacht hebben ze in Hoorn geslapen en nu zitten ze onderuit te zonnen op het achterdek van de ‘Bep Glasius’. Elk jaar gaan ze er samen vier dagen op uit met de fiets, dit is al de negende keer. Blijven de mannen thuis om op het kroost te passen. Ina, Wilma, Gré, Ada en Alida: “We hebben altijd reuze veel plezier. Vier dagen genieten. Volgend jaar vieren we het jubileum. Dan gaan we een héle week fietsen, misschien wel naar Frankrijk”, zegt Alida en ze klinkt een beetje samenzweerderig.

Koffietafel

Hij is Fries van geboorte, maar Klaas de Boer werkt nu in Delft. Eigenlijk in het buitenland, dus. Klaas gaat z’n moeder opzoeken in Workum. Da’s altijd leuk. “Met de trein naar Enkhuizen en dan met deze boot. Prima te doen, want de boot sluit aan op de trein. Bovendien is het sneller en voordeliger dan met de trein helemaal via Zwolle. Kijk, daar zie je Gaasterland al. Zuid-Friesland, schitterend bosgebied”, wijst Klaas. Heleen Peerdeman uit Lutjebroek heeft de koffie klaar, met appelgebak. Achter het buffet met Warsteiner-bierpomp in het vooronder zorgt zij voor de inwendige passagier. “Soms hebben we hele groepen. Honderd man voor een koffietafel. Dan heb ik echt geen tijd voor een praatje.”

Wat was er ook alweer mis met dat bord bij het veerhuis? Hier zet men koffie en over!

“Elke dag is anders”, zegt Jan, onze schipper in spe. “Gisteren hadden we nog slingerweer. Het kan hier aardig spoken. Nu is het weer zo glad als maar kan. Hier zal je geen zeebenen van krijgen. Maar de stemming aan boord is áltijd goed. Wat wil je ook? De mensen gaan lekker een dagje uit.”

Uit het vooronder klinkt nu gezang: ‘Zeeman, zeeman, ga toch niet heen!’ Mooie Annigje, die helpt bij de koffie, heeft een muziekje opgezet, we zingen en deinen vrolijk mee: ‘Op een zeemansgraf staan nooit geen rode rozen’.

Vorig jaar vervoerde de ‘Bep Glasius’, die vaart vanaf Goede Vrijdag tot en met de herfstvakantie, ruim 58.000 passagiers en 12.000 fietsen. Een retourtje kost €9,50, maar elke oversteek van ruim tachtig minuten vaartijd slobbert de veerboot wél eventjes honderd liter diesel op, de gemeente Enkhuizen met z’n 18.000 inwoners wil van elke passagier 27 eurocent toeristenbelasting en omdat de boot tegenwoordig moet afmeren in gemeentewater, eist Enkhuizen van de rederij nu ook een flinke som havengeld. “De wethouder zei: vraag maar subsidie bij de provincie. Kijk, dát doe ik natuurlijk níét. Ik ga nergens m’n hand ophouden. Dan verkoop ik de ‘Bep’ alsnog. Ik zit hier niet om met verlies te draaien,” zegt reder Veenma.

Een vraag die me al de hele reis in z’n greep heeft: gaan we nu eigenlijk naar Staveren of naar Stavóren? “Ik ben in Staveren geboren, maar ik woon nu in Stavóren”, dicht Doede Bleeker (49), de creatieve visboer, als we zijn vishandel aan de Smidstraat, net voorbij de haven in het oude Hanzestadje, binnenschieten. Die Doede! Ik ken geen enkele andere viswinkel waar het altijd feest is. Héérlijke vis. Haring, zó van zee. Paling uit eigen rokerij. Met vooral veel poëzie. Eigenlijk is Doede dichter. Van zijn hand verschenen al drie cd’s en de gedichtenbundel ‘Pretletters op de klaagmuur’. Voordat hij ‘m naar binnen laat glijden, wil burgemeester Sicko Heldoorn van Opsterland, zomaar één van de zeer vele vaste klanten bij Doede, eerst weten hoe de nieuwe haring dit jaar smaakt. “Als een tongzoen van een zeemeermin”, schiet Doede prompt terug. Ongeëvenaard.

Soms voeren ze een kleine act op, Doede en Sicko. Zegt de burgemeester in een volle zaak bijvoorbeeld na een eerste hap: ‘Hé Doede, is dit visje soms gevangen door de Staveren 50?’ ‘Hoe is het mogelijk, burgemeester, dat ú dat weet?’ zegt Doede dan quasi verbouwereerd. ‘Ach ja, dat proef ik zó: elke visser heeft hier z’n eigen specifieke visgronden’.

Da’s Doede: altijd in voor een grap. Een lieve man met een zachte uitstraling. Soms in zijn gedichten een beetje rauw, vaker diep gevoelig. Het aandoenlijke vers ‘Ferdwaald in de tiid’ (cd ‘Mengde Gefoelens’) schreef hij over zijn dementerende moeder. Het ontroert.

Zeebonk

“Gisteravond laat”, zegt Doede, “heb ik over jouw komst nagedacht.” Op het bankje voor zijn winkel pakt hij een briefje uit z’n zak en leest voor:

“Stavoren is voor een verre toerist,

de liefde die ver weg woont,

Aantrekkelijk fris, een lucht,

die zichzelf elke dag verschoont,

Toeristen die het vooroordeel,

van die stugge Friezen,

in ons fijne stadje verliezen.”

Voor zijn deur zingen Frans Faber uit Allingawier en Cor Pander uit Hemelum levensliederen en ook bij ‘t Hearehûs aan de overkant zitten de klanten op de stoep te smikkelen en te luisteren: Gerrit met z’n Friese bretels, Martin en Claudia uit Hagen in Duitsland die al zeventien jaar elke vakantie terugkomen om haring te eten bij Doede, net als Peter en Lidia Namink uit Alkmaar, eigenlijk meer nog uit Amsterdam, maar in elk geval verknocht aan Friesland en aan Doede met z’n viswinkel. Doede in z’n blauwwitte schort draait even een saffie en wijst op de koelkast als Tjerk wat wil drinken bij z’n visje. ‘Ken’k dat er soa uutsnippe?’ Hij is zo iemand die alles wel best vindt als de klanten ‘t maar naar hun zin hebben. “Ik bedenk ‘t niet, ik vóel ‘t zo”, zegt hij over z’n gedichten.

Een verrukkelijk stadje, dat Stavoren. Alleen jammer dat die akelige pliesie nou uitgerekend op zo’n mooie dag bekeuringen uitschrijft voor buitenlui die hun motoren even op een Stavers plekje hebben gezet waar het kennelijk betaald parkeren is.

Bouke Kolk vindt dat ik in Stavoren moet overnachten, nog wel in een wijnvat. Wat nu? Zijn knusse herberg ‘Hotel De Vrouwe van Stavoren’ biedt logies in heuse Zwitserse wijnvaten van 15.000 liter. Vier kamers naast elkaar, hotelvat 1 tot en met 4, elk voorzien van tv, douche en toilet. Knots maar gerieflijk. Volgende keer misschien, ik moet nu met de boot mee, maar kom zeker terug.

Poepschep

Wat meteen opvalt: nergens in Stavoren, gemeente Nijefurd, ligt hondenpoep op straat. Zou dat komen door de Staverse Hondenpoepschep, die alom in Stavoren voor het grijpen hangt? In de Voorstraat zie ik ‘m hangen aan een spijker in de stam van een van die prachtige lindebomen langs het grachtje, op ‘t Hellingspad zit er een met een elastiek vast aan de lantaarnpaal. Wat een briljante oplossing voor het poepprobleem!

“Het is hier fantastisch wonen”, zegt metselaar Sietze Zwaan (31) als ik ‘m spreek over het tuinhek, dat aan de IJsselmeerdijk grenst. “Als het water weer wat warmer wordt, kunnen we met de kinderen hier zó de dijk over om te gaan zwemmen. We leven hier heel gemoedelijk. Natuurlijk hebben we hier ook import. Soms komen er van die westerlingen, Amsterdammers en zo, en die willen dan ineens van alles gaan veranderen in het dorp. Dan is dít niet goed en dát deugt niet. Moet ‘t ineens anders. Dan zeggen wij altijd: laat maar, het is ons wel goed zo, wij zijn hier heel tevreden.”