Roostermodellen voor vakoverstijgende Cultureel Erfgoed projecten

  • Alles in een week!
  • Projectweek als toepassing en afsluiting
  • Project in het reguliere rooster verdeeld over enige weken of een rapportperiode

Alles in een week

Alle aspecten van het project worden in één week georganiseerd en uitgewerkt: oriënteren en motiveren, plannen maken, inoefenen deelvaardigheden, kennis overdragen, deelvaardigheden toepassen en kennis verwerken, opdrachten uitvoeren binnen en buiten de school, presentaties voorbereiden en maken, reflecteren op houding en leerproces, resultaten presenteren en terugkijken. De leerlingen krijgen een werkwijzer hiervoor.

In een projectweek wordt de gebruikelijke groepsindeling losgelaten en worden alle leerlingen verdeeld over zorgvuldig samengestelde projectgroepen van 10 – 15 leerlingen. Deze groep blijft de hele week bij elkaar samen met één docent, de groepsmentor (eventueel voor sommige activiteiten ondersteund door een klassenassistent en/of ouders). Een projectgroep mag een eigen groepsnaam kiezen. Binnen deze projectgroep worden werkgroepjes gevormd van 3 tot maximaal 5 leerlingen voor zelfstandig uit te voeren leer-, werk-, onderzoeks- en presentatietaken. De groep heeft, indien mogelijk, op sommige uren een vast werklokaal. Ook de bibliotheek of het informatiecentrum en de handenarbeid/technieklokalen moeten worden ingeroosterd.

Het gebruikelijke rooster wordt voor de leerlingen die aan het project meedoen, vervangen door een speciaal projectrooster, al dan niet in blokuren. In principe worden alle uren begeleid of gesuperviseerd door de groepsmentor (al dan niet op afstand), met uitzondering van de ‘spreekuren’ of vakgerichte begeleidingsuren. De werkgroepjes kunnen dan informatie en hulp krijgen van vakdocenten bij specifieke onderdelen of taken.

Iedere projectdag begint en eindigt op school onder leiding van de groepsmentor (ook bij buitenschoolse activiteiten van zelfstandige werkgroepjes!). Het einde van de dag houdt in dat de hele projectgroep terugkijkt en vooruitkijkt, dat ze reflecteert over de eigen werkwijze/leerproces (m.b.v. het logboek) en dat de werkgroepjes binnen de projectgroep elkaar helpen bij het oplossen van problemen. Soms – afhankelijk van het overkoepelend thema, de leerstofinhoudelijke basis van het project en de reeds aanwezige ‘competenties’ van de leerlingen – presenteren de werkgroepjes aan het eind van de projectweek een gezamenlijk eindpresentatie van de gehele projectgroep. De presentaties of werkstukken kunnen overgedragen worden aan musea, archieven, kranten, (deel)gemeentes. De leerlingen krijgen als afsluiting een ‘getuigschrift’ voor hun ‘portfolio’.

Zie voor een voorbeeld bijgaand weekschema. In een dergelijk schema wordt voor leerlingen ook aangegeven: de groepsmentor, de bruikbare lokalen en de vakleraren, die ze kunnen raadplegen voor vakspecifieke hulp.

Projectweek als toepassing en afsluiting

In grote lijnen verloopt een dergelijk project als het vorige maar in de weken voorafgaande aan de projectweek wordt in de vaklessen al leerstof behandeld of worden vaardigheden ingeoefend die de docenten noodzakelijk vinden als projectvoorbereiding. Dit geeft het project een steviger onderwijskundig fundament. Het is beter mogelijk leestofvervangend te werken en binnen de gebruikelijke stof (hoofdstukken, studiewijzers, PTA) een gerichte keuze te maken. Ook de effectiviteit van het leerproces tijdens de projectweek neemt toe en er komt meer tijd voor het oefenen van de ‘hogere cognitieve vaardigheden’, zoals kennis zelfstandig verwerven, kennis toepassen in complexe situaties en algemene vaardigheden, zoals samenwerken, plannen, zelfevaluatie etc.

Project in het reguliere rooster verdeeld over enige weken of een rapportperiode

Inhoudelijk is de opzet gelijk aan de vorige modellen, maar er wordt zo min mogelijk veranderd aan het gebruikelijke rooster en de bestaande groepsindeling. Alle activiteiten worden verdeeld over enkele weken. Alleen zullen op bepaalde dagen dagdelen vrij worden geroosterd voor groepswerkzaamheden binnen en buiten de school. Organisatorisch is deze variant vaak omslachtiger dan beide vorige modellen. Ook de extra energie die nodig is om de motivatie en het enthousiasme bij leerlingen vast te houden, is een extra belemmering.